Column Hengeloos Peil door Pier van Dijk

Column Suspecte willekeur

Lijsttrekkersdebat provinciale staten verkiezingen

Pier van Dijk, Hengeloos Peil, Brasserie So Nice, 11-03-2019

(Kalender blaadje laten zien)
Zegt een vrouw tegen een man:
“Jij in de politiek? Daar ben je niet dóm genoeg voor.”
(Peter van Straaten, Scheurkalender, donderdag 7 maart j.l.)

20 maart zijn de verkiezingen voor de provinciale staten en indirect die voor de Eerste Kamer, dames en heren.
Geen wonder dat de fractievoorzitters van de landelijke politieke partijen elkaar verdringen voor de camera’s.
Wéér die ‘Grootneuzen’ van de Haagse Pinokkio-club; we kennen de neuslengtes van die gasten toch onderhand wel?

Niet of nauwelijks bekend, zijn de 343 kandidaten voor Overijssel.
Ik ken er slechts zeven, onder wie Agnes Booijink, fotograaf.
“Als er wat is, weet je mij te vinden, hè Pier”, riep zij als fractie-medewerker van GroenLinks tijdens de verkiezingscampagne van 2018.
Bij het betrekken van de Bataafse Kamp, waar professionele kunstenaars tegen betaling tijdelijk voor de gemeente ‘anti-krakertje’ mogen spelen, werd Kunstenaarsinitiatief 074 PK door de ‘conciërge’ dan ook hartelijk ontvangen.

Gratis stemadvies 1
Stem lijst 9, nr 16, Agnes Booijink, voor minder geloop en gedoe bij al uw kunstactiviteiten!

Gelijktijdig is de verkiezing van de leden van het algemeen bestuur van het Waterschap Vechtstromen:
Heeft de boer het goéd, dan heeft ú een natte voet!
Van de kandidatenlijsten valt vooral lijst 8 op, een naamloze lijst, met als enige kandidaat Herbert Capelle.
O ja, Herbert Capelle, die beeldend kunstenaar/fotograaf van Galerie Signaal aan de Enschedesestraat, tevens hobby-brouwertje van Hengelo Bier en sinds kort de zelfbenoemde luis-in-de-pels van Pro Hengelo. Herbert lijkt op zijn plaats bij het Waterschap: achter het schap water tappen en ervoor als pils (zonder l) laten weglopen, alias Hans Klok, klok, klok.

Gratis stemadvies 2
Stem lijst 8, Herbert Capelle, voor meer vertier met water als bier.

À propos: woensdag 6 maart j.l. ontving tout creatief Hengelo van de gemeente de zoveelste fopspeen.
Of we maar even ideeën voor nieuw beleid wilden indienen.
Onderaan het schrijven hing een hilarisch Let op:
‘Het is verstandig om u te laten ondersteunen door een (beleids)adviseur van de gemeente bij het invullen van dit formulier.’
Zijn die er dan? Hengelo hééft immers geen kunstbeleid!

Dat idiote formulier heb ik trouwens zo ingevuld.
Ik volsta met te verwijzen naar het manifest Kort & Krachtig van 074 PK uit maart 2018; daarin staat precies wat de professionele beeldende kunst in Hengelo nodig heeft en wat de gemeente heeft te doen.
De dubieuze subsidieverdeling kunst en cultuur is misselijkmakend en valt uit te drukken in mijn diagram De schijf van vijf; kijkt u even mee?
Deze rol wc-papier bevat 160 velletjes, wat staat voor bijna 6,8 miljoen euro subsidie voor kunst en cultuur in 2018. (Afrollen)
Hiervan gingen 53 velletjes naar Bibliotheek Hengelo (literatuur), 50 velletjes naar Oyfo (amateuristische kunstbeoefening en kunsteducatie), 30 velletjes naar Schouwburg Hengelo (theater) en 26 velletjes naar Metropool (muziek), in totaal 159 velletjes, d.w.z. ruim 6,7 miljoen.
De professionele beeldende kunst daarentegen werd afgescheept met slechts één velletje, d.w.z. een kleine 84.000 euro.

Stelling: er valt geen enkele reden te bedenken om de beeldende kunst totaal niét en de overige pijlers van de klassieke oudheid (literatuur, muziek en theater) geheel wél te subsidiëren; suspecte willekeur!
De boel moet nodig ontstopt worden!

Als het aan het college ligt, krijgt Oyfo er morgen nog wat extra miljoentjes bij, u hoort het goed, en wordt zelfs dat ene beschamende, schamele velletje wc-papier toegevoegd aan het budget van een instituut, waar o.a. hobbyisten in hun vrije tijd werkjes kunnen maken voor de Week van de Amateurkunst.
Wordt dit na de liquidatie van AkkuH in 2012, nu dan toch de definitieve doodsteek van de mogelijkheden voor de professionele beeldende kunst?
Arm Hengelo!
Soms lijkt een college en/of een raad geheel of gedeeltelijk de weg kwijt, van het padje, van de pot gerukt; Hengelo helemaal van de kaart!
De lachwekkende kreet Hengelo Doet Het, voor veel geld gejat door reclamebureau Alien Trick uit Hengelo, lijkt dit voor eens en voor altijd te bevestigen.
Straks blijkt zelfs de in de Enschedesestraat uitgerolde bruinrode loper niet meer dan een remspoor in een vuile onderbroek.

Hengelo Doet Het In Zijn Broek, ja; mag ik nog een velletje?

Vrolijk voorwaarts!

Pier van Dijk

Hengeloos Peil, Schouwburg Hengelo, maandag 11 maart 2019

---

Burgemeesters en Nachtburgemeesters

Pier van Dijk, Hengeloos Peil, Brasserie So Nice, 11-02-2019

Er zijn maar een paar spreekwoorden en gezegden met burgemeester: Eens burgemeester, altijd burgemeester; Iets burgemeester maken en Iemand burgemeester maken. Daarentegen zijn er vele straatnaamborden met Burgemeester
Burgemeesters zijn er al eeuwen lang, dames en heren, in vele soorten en maten. De eerste, voor zover mij bekend, was Godevaert Wormbouts in 1343 in Amsterdam.

Als kind kende ik enkel Burgemeester Dickerdack van Rommeldam: een nijlpaard uit Tom Poes, de stripverhalen van Marten Toonder. Ivo Opstelten, eens burgemeester van Rotterdam, leek er verdacht veel op, zowel qua postuur en stemgeluid als qua doen en laten; helemaal VVD dus.

Zelf heb ik al vele burgemeesters meegemaakt. Ik ben geboren op 1 februari 1944 te Amsterdam, waar Voûte in 1941 door de Nazi’s tot burgemeester was benoemd. In 1947 moest hij voor drieënhalfjaar de bak in, in 1950 moest hij bovendien zijn koninklijke onderscheiding inleveren; mij lijkt dat als ridder heel erg. Na Voûte kwamen De Boer en d’Ailly. De laatste moest vanwege een buitenechtelijke relatie, met een kunstenaresje nog wel, in 1956 aftreden. Toen kwam Van Hall, ‘de laatste der regenten’, die de roerige jaren zestig tevergeefs met de wapenstok te lijf ging.
Bekend uit die tijd is de leuze: "Van Hall ten val”. Na de rellen rond het huwelijk van Beatrix en Claus en het Bouwvakkersoproer in 1966, volgde zijn ontslag in 1967. Mijn muze en ik woonden toen al een jaar in Haaksbergen. Aan burgemeester Eenhuis koesteren wij geen enkele herinnering.

Wij verhuisden naar Delden, Stad Delden, wel te verstaan. Burgemeester Rademaker kwam twee keer bij ons aan de deur. De eerste keer, begin 1971, vroeg hij of wij toch alsjeblieft aan de 14e Algemene Volkstelling wilden deelnemen. Wij waren de enige inwoners van Stad Delden die hun ponskaarten nog niet hadden ingevuld en ingeleverd en of wij wel wisten dat daar gevangenisstraf op stond. Ja hoor, dat wisten wij wel; nooit meer iets van gehoord. Het zou de laatste Volkstelling zijn.

De tweede keer, ook in 1971, vroeg hij of wij toch alsjeblieft het levensgroot PSP-affiche ‘Ontwapenend’ met blote vrouw en koe, van het raam wilden verwijderen; nee, dus. Ik had trouwens meer met Buijvoets, burgemeester van Ambt Delden (maar ja, daar woonde ik niet), met wie ik geregeld op zoek ging naar atelierruimte; ook toen al niet eenvoudig. 

Op naar Boekelo, gemeente Enschede, waar Vleer de scepter zwaaide. I.h.k.v. de roemruchte, internationale tentoonstelling Sonsbeek buiten de Perken in 1971, overhandigde ik hem het eerste exemplaar van het door mij getransformeerde Museumjournaal; van een deel van de oplage had ik doosjes-met-snippers gemaakt, genummerd en gesigneerd. 

Op naar Hi Ha Hengelo, met op rij de burgemeesters Von Fisenne (KVP), Bevers (CDA), Lemstra (CDA), Beelaerts van Blokland (CDA, ook een soort Dickerdack, die in 1999 mijn Hengeler Weendwiezer op de Brinktoren onthulde), Kerckhaert (CDA), en last but not least, onze Schelberg (VVD, lang dacht ik CDA, waarschijnlijk door mijn passie voor geloof en zeden).  Sinds 9 september 2016 noemt hij mij bij officiële gelegenheden ‘ridder’ en ik hem ‘burgemeester’. Rondom zijn herbenoeming duwde een TC Tubantia-journalist voorbijgangers een fotomontage onder de neus met twaalf portretten van min of meer bekende Hengeloërs, w.o. Sander en ik.

De vraag was de burgemeester aan te wijzen; ik scoorde vrij hoog, vooral bij de dames. Over mijn verstandhouding met de Hengelose burgemeesters en aanverwante anekdotes wellicht een volgende keer. Een ding kan ik u verzekeren: allemaal fijne, begaafde en beschaafde mensen, met voor mij vooralsnog aan top Wolter, ‘Vrede van Münster/Koetsentocht’ Lemstra!

Nachtburgemeesters zijn er nog niet zolang, dames en heren.  Jules Deelder was de eerste en lang de enige. Ik ontmoette hem voor het eerst ergens eind jaren zestig op de Rietveld Academie te Amsterdam; we traden er op met onze poëzie. Het door studenten ontworpen en gezeefdrukte affiche vermeldde hem abusievelijk als Jules Delden; ik woonde in Delden, hij in Rotterdam. Daarna verloor ik hem snel uit het oog: ik had niets met drugs, laat staan met harddrugs. (Sowieso vind ik iedere harddruggebruiker een loser die ook nog eens de onderwereld faciliteert.)

Vele jaren later, i.h.k.v. de Bergense Kunst10daagse 2012, ontmoette ik Deelder weer. Op het podium van de Ruïnekerk deden wij beiden een performance. Het broos geworden heertje kon zich mij niet herinneren.  Inmiddels zijn er zo’n twintig steden met een nachtburgemeester, w.o. Hengelo. In 2014 namen Herbert Capelle en ondergetekende het initiatief voor een Hengelose Nachtburgemeester.

Op 21 december 2014 werd hier in Brasserie So Nice Berto Mulder, uitbater van Café-biljart De Kleine Burgemeester, gekozen tot eerste Nachtburgemeester van Hengelo en zelfs van Overijssel en was hij de 14e nachtburgemeester in Nederland, in 2016 opgevolgd door Tijs Jagers. Dan is nu de beurt aan Marijke Agterbosch. Haar ambt van Stadsdichter gaat naadloos over in dat van Nachtburgemeester.

Ik wens haar veel succes!

Pier van Dijk, Hengeloos Peil, Brasserie So Nice, 11-02-2019

Financiële ondersteuning Rabotheater

13 februari 2017

Aanvankelijk zou deze column gaan over het gemeentelijk afvalbeleid; ik was er helemaal klaar voor. Vorige week kreeg ik echter te horen dat het over de financiële ondersteuning van Rabotheater Hengelo moest gaan. Ook goed, heeft ook met afvalbeleid te maken, maar dan meer in de trant van ‘daar moeten we zo snel mogelijk vanaf’. Hengelo wil van veel dingen af, vooral waar het de professionele kunst en cultuur betreft, amateuristische is immers goed genoeg en daar is in Hengelo veel van.

Kom mij niet aan Rabotheater Hengelo, want dan word ik meteen de juiste man op de juiste plaats. Nog net op tijd kruip ik in het door mij in ere herstelde souffleurshokje. De zaaldeuren klappen dicht, het licht dimt onder nog even gauw een kuchje hier en daar, de gordijnen zwaaien open en ik begin onzichtbaar aan mijn taak, slechts hoorbaar op het podium en misschien op de eerste rij: (fluisterend) Pecunia non olet.

VVD-wethouder Jeroen Hatenboer van Enschede wil met Enschedees geld Rabotheater Hengelo ondersteunen. Vreemd: de VVD is altijd groot voorstander van het principe dat je bij knappende bretellen, buik of geen buik, de eigen broek moet ophouden, het bedrijfsleven uitgezonderd.

Het leest als een gebakken lucht stunt van een voormalige kroegbaas in de trant van Morgen gratis bier. Boer Jeroen zou wel gek zijn en met hem het voltallige Enschedese college. In het bedrijfsleven zou dit een vijandelijk overname bod genoemd worden en dat is het dan ook precies.

Enschede wil zogenaamd samenwerken, maar met als enige doel: annexeren en desnoods liquideren. In het verleden heeft Hengelo ten faveure van Enschede vaak genoeg uitverkoop gehouden en derhalve van alles en nog wat in de lege etalages gezet; het is welletjes, tot zover en niet verder. Verder noemt de Hatenboer de andere Boer ‘hooghartig’. Ik begrijp de terechte houding van ons Boertje volkomen; hij voelt immers op zijn klompen aan waar de schoen wringt, en ik met hem.

By the way: hebben wij überhaupt nog theaters nodig?
Immers de wereld zelf is één groot theater, met doorlopende voorstelling nog wel. Neem nu de variété-artiesten Donald, Franciscus en Vladímir, om De paljassen weten ons non-stop te vermaken met de meest baarlijke nonsens.

Amsterdam heeft 55 theaters en concertzalen, bioscopen niet meegerekend, zo ongeveer 1 theater/concertzaal per 15.000 inwoners. Volgens de statistieken zouden er in Enschede dus zo’n 10 zalen kunnen zijn (er zijn er 7) en in Hengelo zo’n 5 (er zijn er 2). Nee, sorry, Hengelo heeft er drie: Rabotheater Hengelo, Poppodium Metropool en Theater Gemeentehuis.

In Hengelo is een bezoek aan de tweewekelijkse voorstelling van theatergezelschap De Gemeenteraad, de vaste bespeler van Theater Gemeentehuis, vooralsnog het leukste avondje uit. Zorg wel dat je op tijd bent, vol is vol, er zijn geen besproken plaatsen; toegang, garderobe en koffie zijn gratis. Met een beetje geluk zit je 1e rij balkon, waar je je kunt vasthouden aan de balusters als je slap van het lachen over de balustrade dreigt te vallen tussen de acteurs en actrices, die elkaar nog net niet met knuppels op de houten koppen slaan, zoals bij de poppenkast. Met een beetje geluk tref je na de voorstelling de artiesten aan in de wandelgangen, koutend en elkaar bekloppend.

Inmiddels blijven in Rabotheater Hengelo onder het hooggeëerd publiek dames met de hakken achter de versleten rode vloerbedekking haken en aan de trekker-wand kan alleen nog getrokken worden met gevaar voor eigen en andermans leven.

Helaas is alles aan slijtage onderhevig, dat geldt bijvoorbeeld niet alleen voor een gemeentehuis, maar ook voor een theater. Onderhoud kost nu eenmaal een paar centen, dat is bekend vanaf de bouw. Waarom dan telkens liggen te mekkeren en te jeremiëren als een en ander gerenoveerd moet worden? Vervangen die versleten zooi in het theater en wel onmiddellijk! Het stadhuis wordt immers ook grondig gerenoveerd, kosten 9 miljoen, als u begrijpt wat ik bedoel? Sterker nog: er komt zelfs een nieuw stadskantoor, waarvoor na de bouwvak van vorig jaar de schop in de grond zou gaan, kosten 24 miljoen. Hoewel de aanbesteding nog niet gedaan is, zijn de kosten al wel gestegen.

“Al met al is een periode van twee jaar voorzien om alles klaar te krijgen. We kunnen niet langer meer wachten, wachten kost geld.” aldus de verantwoordelijk wethouder Marcel Elferink in de TC Tubantia van 16 december 2015. Wachten kost geld, ja, wellicht het bedrag dat Rabotheater Hengelo gedurende een aantal jaren jaarlijks te kort komt. We weten het allemaal: de oude-metalen-stad is een zgn. nononsens stad, wat betekent: doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg.

Kunst en cultuur is zo bekeken geldverspillende gekkigheid en staat derhalve niet hoog in het vaandel, wel als het om bezuinigen gaat. Maar ik verzeker u, dames en heren, de teloorgang van Hengelo is alleen nog te stoppen door kunst en cultuur tot speerpunt van het beleid te maken.

Mijn advies luidt dan ook:
Neem in dit theaterstuk zonder blikken of blozen en te bedanken het Enschedese valse geld aan en jaag Bokito meteen weer het podium af, luid roepende Pecunia non olet.

-

Epiloog

Nee, dames en heren, hoe aanlokkelijk ook, het geld moet gewoon van Hengelo komen. Bloeden zullen ze daar in het gerenoveerde stadhuis en nieuwe stadskantoor, anders is het einde voorstelling.

---

Terrassenbeleid Gemeente Hengelo

9 januari 2017

Terrassen en terrassenbeleid zijn twee verschillende zaken die de gouden driehoeksrelatie ’consument, horeca en overheid,’ ten goede komen of verpesten, de stad in ieder geval wel, dames en heren. 

Als jonge ridder zou ik willen zeggen: strijd met open vizier; houw niet op de man, maar op de zaak, dan vecht je met plezier!

Tot nu toe heb ik één keer, vermoedelijk ook de laatste keer, in de horeca gewerkt. In de zestiger jaren van de vorige eeuw, ik woonde en studeerde nog in Amsterdam, had ik een baantje als piccolo (rood jasje, gouden versierselen) bij Hotel de Roode Leeuw op het Damrak t.o. De Bijenkorf. Al snel werd ik bevorderd tot nachtportier; ik zat toen al op boksen. Er was ook een overdekt terras, waar ik na sluitingstijd voor Zwerver, zo noemde ik hem, iedere nacht van terrasstoelen een bed bouwde. ’s Morgens, tegen de tijd dat mijn tijd erop zat en die van hem dus ook, wekte ik hem met een eenvoudig doch voedzaam ontbijt, bestaande uit brood en wat beleg, genoeg voor de hele dag, koffie en vruchtensap: “Tot vannacht, Zwerver! Tot vannacht, Petrus, zo noemde hij mij; híj ging naar ‘de straat’ en ik naar bed; het was óns terrassenbeleid.

Halverwege de zestiger jaren kwam ik naar Twente. Vorig jaar was ik een halve eeuw Tukker, dames en heren, en wat is er mooier voor een Amsterdammer dan dat? Ik herinner mij twee terrassen die er toe deden: voor het dagleven was er het ‘terras’ van Café de Ster aan de Enschedesestraat en voor het nachtleven het terras van Vieze Frits op het braakliggende terrein, waar een neo-gotisch nonnenklooster had gestaan (toen waren er al ’Wijlanden’!)

In die tijd ging het vrachtverkeer van oost naar west en vice versa nog over de E8, die toen nog dwars door de dorpen Markelo, Goor, Delden en Hengelo, stad der verbindingen, liep. Op het terras van Café de Ster, zo breed als de gevel en zo diep als het trottoir van een meter, had je er het beste zicht op. In de zomer, mits droog, zette Bertus Hemmelder via het opengeschoven raam zeven stoelen naast elkaar op het trottoir en riep: “Terras geopend!” Via het open raam vlogen de bestellingen over en weer. Je leunde achterover tegen de pui en terwijl de colonne ronkende, stinkende vrachtwagens op een paar meter afstand aan oog, oor en neus voorbijtrok, dronk je je koffie. “De koffie is wel eens beter geweest, Bertus!” “Dat kan wel zijn, maar niet hier, Pier!”

Hoezo terrassenbeleid?

’s Nachts stonden de vrachtwagens van en naar het Oostblok op het zwarte, altijd natte gravelterrein aan de Thiemsbrug, geparkeerd in een cirkel rondom een soort afwerkplek avant la lettre. De vrije ondernemer Vieze Frits had daar een gammele, tot snackbar omgebouwde caravan neergezet, vanwaaruit hij via een gat in de zijkant met scharnierende klep zijn clientèle, zoals vrachtwagenchauffeurs, prostituees, kunstenaars en andere nachtbrakers voorzag van bier-in-een-flesje, patat-in-een-zakje of gehaktballen-in-een-bakje. Terwijl je in de decolletés van rondborstige hoeren stond te loeren, gaf je je bestelling op: “Vieze Frits, doe mij maar twee ballen”. “Als jij mij Vieze Frits noemt, krijg jij helemaal niks!” Voor de caravan had hij een terrasje van oude betontegels, waarop hij, tegen de tijd dat de kroegen gingen sluiten, wat krakkemikkig terrasmeubilair zette: “Terras geopend!” En tussen de vrachtwagenchauffeurs, de prostituees, de kunstenaars en de andere nachtbrakers werd het dan heel gezellig.

Hoezo terrassenbeleid?

Het terrassenbeleid van de gemeente lijkt niet tot stand te komen op het terras, maar tussen de veilige muren van stadhuis en stadskantoor. Beleid kan pas gehandhaafd worden als de bouwstenen ervan zijn aangedragen door alle betrokkenen en iedereen in het beleid zijn stenen min of meer terugziet. De Koninklijke Horeca Nederland Afdeling Hengelo en de SCH hebben zich uit het overleg met de gemeente uit protest teruggetrokken. Hiermee hebben zij hun punt gemaakt. Nu wordt het tijd om weer om de tafel te gaan zitten, liefst om een ronde tafel, liefst om een ronde tafel op een leuk terras. Gemeente, SCH en Horeca, drink een glas, doe een plas, maar laat de zaak niet zoals ie was.

Ter afsluiting heb ik nog een nieuwtje: ik ben nu zo’n anderhalf jaar bezig met StARTion, u weet wel het kunstinseminatie station op de eerste verdieping van het stationsgebouw, waarvan de ingang zich bevindt t.o. de fietsflat. Sinds de oplevering van deze flat heeft er op de bovenste verdieping nooit, maar dan ook nooit, één fiets gestaan; hij was leeg, hij is leeg en hij zal leeg blijven. Welnu, ik begin daar een terras-met-uitzicht en randprogramma. Het wordt het grootste, enigszins schuin lopende terras van Nederland met tafels en stoelen op ongelijke poten, hangende tuinen en verrijdbare bomen, parasols met poëzie. U zult worden bediend door leuke serveersters in korte rokjes, op rollerskates, met helmpjes, elleboog- en kniebeschermers en van die kekke leren race-handschoentjes.

Hoezo terrassenbeleid?

Willen jullie meer of minder terrassen? (publiek roept ’meer’)
Willen jullie meer of minder beleid? (publiek roept ’minder’)

Dan gaan ‘ze’ dat regelen!

Leve de man van de SCH van je hiep hiep hiep hoera!

---

De Binnenstad

12 december 2016

”Mijn bitje doe ik niet in, dames en heren, dat praat zo lullig.” 

(Noot van de redactie: tijdens het voorlezen van zijn column had hij zijn bokshandschoenen aan.)

Hoe begin je in godsnaam een column over de binnenstad van de ‘stad der verbindingen’, die wel stad wordt genoemd, maar geen stad is?

Toen ik laatst bij StARTion het stoepbord buitenzette (want men kan de ingang niet vinden, hoor ik van mensen die er nooit komen), vroeg een ‘good looking lady’ mij waar het centrum is. “Daar”, zei ik en wees naar de banner van Bureau Hengelo, uitgespannen tussen lege winkels, die voortdurend kennelijk het grootste Hengelose evenement aller tijden aankondigt: Aanstaande zondag Koopzondag, wat leest als Morgen gratis Bier. “Nee, daar kom ik net vandaan”, zei ze teleurgesteld. Samen keken we naar SCAPINO, de kolossale, witte-letters-op-rode-ondergrond op de ramen van de eerste verdieping van het best wel mooie pand uit de jaren vijftig, ingeklemd tussen zeventiger jaren lelijkheid: Hartelijk welkom! Op de eerste verdieping van CS Hengelo werd het nog heel gezellig.

Op zoek naar eigen DNA kopte de TC Tubantia van 25 november j.l. boven een artikel van journalist Gerard Smink. Ik dacht meteen aan Sherlock Holmes, die in zijn geruite ouwe lullen outfit (nog gekocht in de opheffingsuitverkoop van Oostvogel), pijp in de mond, loep in de hand, op een verlaten Marktplein, nabij de lege Brinktoren, liep te speuren naar het DNA van Hengelo. “Wat en waar dat dan   ook maar wezen mag, mijn beste Watson.” Holmes was al met pensioen en had zich teruggetrokken als imker. Af en toe snabbelde hij nog wat bij, zo ook in Hengelo, waar hem al op de eerste dag (hij sliep in Hotel Nationaal) de bijen rondom de bijenkorf in het natuurstenen gemeentewapen aan de gevel van het stadhuis waren opgevallen. “Nijvere bijen, die Hengeloërs, mijn beste Watson.”

In Sminks artikel schitteren kunst en cultuur door afwezigheid. Beleidsmakers en ondernemers lijden kennelijk aan de kokervisie dat louter de winkels een bruisende stad opleveren; hun enige zorg lijkt immers de leegstand. Oude frieten in nieuwe ‘zaken’, maakt een wethouder al blij. In deze oud-ijzer-stad wordt linksom of rechtsom, direct of indirect veel geld gestork-pompt in de wegkwijnende winkels en groeiende leegstand: paniekvoetbal, trekken aan een dood paard, weggegooid geld, in een snel veranderende tijd; dat tij keer je niet, dames en heren! Een stad wordt niet aantrekkelijker en leefbaarder door banners met Aanstaande zondag Koopzondag of door ‘frietenfratsen’ (ga toch fietsen!), maar vooral door initiatieven en activiteiten op het gebied van kunst en cultuur in de ruimste zin van het woord. Vele inwoners stoppen daar energie, vrije tijd en geld in. Als al deze nijvere bijtjes het bijltje erbij neergooien, wordt het vraagteken achter Hengelo helemaal stil? meteen een uitroepteken.

Praktijkvoorbeeld: het nu één jaar bestaande initiatief StARTion krijgt niet of nauwelijks bezoek van bezoldigde ambtenaren, college- en raadsleden, adviseurs van de Adviescommissie Beeldende Kunst, bureaucraten van Bureau Hengelo, de manager van SCH (voor ondernemers, door ondernemers), de gamefixers van TriMotion of hoe al die drinkende ’talking heads’ ook mogen heten; laat staan dat ze het initiatief omarmen door het financieel te ondersteunen. Wat is dit voor flauwekul, wijntje? StARTion ligt in het centrum, op een toplocatie, er vinden activiteiten van formaat plaats en het mag bogen op een snel groeiende schare bezoekers. Van Amsterdam tot Berlijn bruist het door dit soort initiatieven, ze worden omarmd en ondersteund, behalve in tussenstrop Hengelo.

In Hengelo wordt het wiel telkens opnieuw uitgevonden, maar rijden ho maar. Keer op keer tracht men oude wijn in nieuwe zakken te verkopen. Hoe vaak is de binnenstad niet op de schop gegaan? Hoeveel plannen zijn er niet gesmeed voor de Markt? Hoeveel mogelijke panden voor een museum zijn de Hengelose revue niet gepasseerd, zoals nu weer de daarvoor volstrekt ongeschikte gymzaal van de voormalige MTS, het huidige WTC.

Hengelo profileert zich steeds meer als stad van de Wederopbouw, begin daar dan mee! Laat al die professionele vrijwilligers die deze stad nog enige smoel trachten te geven, het niet alleen opknappen, gratis en voor niks. Verleen de initiatieven en activiteiten eeuwig durende bijstand! Laat het geld wapperen daar waar het waait, dat is niet in de luwte van het wegkwijnende winkelgebeuren-met-winstoogmerk. Zet volledig in op kunst en cultuur, maar dan niet als glijmiddel voor de noodlijdende middenstand, maar als speerpunt voor de wederopbouw van Hengelo Nu!

Hengelo denkt klein, praat veel, doet weinig; verder mag het niets kosten. Het enige dat Hengelo Nu nog van de ondergang kan redden is het tegenovergestelde: groot denken, minder praten, meer doen; verder mag het wat kosten, want voor niets gaat de zon op, dames en heren!

Tot slot enkele aanbevelingen om alvast een beginnetje te maken:
1.     Laat de warenmarkt, de grote sta-in-de-weg voor de Grote Sprong Voorwaarts, zo snel mogelijk meanderen door de binnenstad of verplaats deze naar het Stationsplein.
2.     Maak van de Markt een écht plein, een ontmoetingsplek met banken, bomen, terrassen en waterpartijen, en geschikt voor evenementen, wanneer maar ook.
3.     Laat de beren met écht water spelen en de kinderen ook.
4.     Maak van de Brinktoren een klimtoren, met voorzieningen daarvoor in de glazen onderbouw.
5.     Geef nieuwe invulling aan leegstand, maak er bijv. betaalbare ateliers of atelierwoningen van voor professionele, ambachtelijk werkende kunstenaars.
6.     Maak van de eerste verdieping van het stationsgebouw (een gemeentelijk monument uit de Wederopbouw!), een museum voor de Hengelose kunstcollectie.
7.     Zet groots en meeslepend in op kunst en cultuur in de ruimste zin van het woord.
8.     En laat dan de zweeftrein maar komen; super idee, VVD, maar dan moet er in de binnenstad wel van alles te beleven zijn, natuurlijk, want zo kan het echt niet!

DENK GROOT, HENGELO!